Kaart en kompas


Bij de Scouts lopen of fietsen we regelmatig een tocht. In Scoutingtermen heet dat een hike. De routebeschrijving die je op zo’n hike meekrijgt zal er niet altijd uitzien zoals je gewend bent. Een enkele keer tref je wel aanwijzingen aan in de vorm "Neem de eerste straat links, dan de tweede rechts, ...", maar meestal zijn ze wat uitdagender. De aanwijzingen kunnen allerlei vormen aannemen, van stukjes kaart tot puzzels. Deze vormen noemen we routetechnieken. Hieronder vind je de uitleg van een aantal routetechnieken die je voor je groene kaart moet kennen.

Kruispuntenroute

Bij de kruispuntenroute worden tekeningen gegeven van alle kruispunten die je onderweg tegenkomt. Het woord "kruispunt" moet je ruim opvatten : hiermee bedoelen we ook T-splitsingen, Y-splitsingen, vijfsprongen enzovoort. Kijk goed in je routeboekje of zandpaden, voetpaden en dergelijke ook meetellen. Een zandpad of een smalle weg wordt soms gestippeld.

De tekeningen van de kruispunten zijn zo gemaakt, dat de weg waar je vandaan komt van beneden naar boven loopt. De weg die je in moet slaan is aangegeven met een met een pijl.

Soms is er met kaarttekens aangegeven wat er bij het kruispunt te zien is. Zo kun je kijken of je nog steeds op de route zit. Kaarttekens zijn tekens waarmee dingen uit het landschap op een kaart worden weergegeven. Zo wordt een gebouw weergegeven met een zwart blokje en een wegwijzer met een Y-vormig teken. Voor je Groene Kaart hoef je nog geen kaarttekens te kennen.

De kruispunten zijn genummerd in de volgorde waarin je ze tegenkomt. Het is in het algemeen niet zo dat ze ook in die volgorde getekend zijn! Kruispunt nummer 1 kan best wel eens helemaal achteraan staan.

Kruispuntenroute

Kruispunten-pijltjesroute

De kruispunten-pijltjesroute is een variant op de gewone kruispuntenroute. Wegen wordt getekend als enkele strepen. De weg waar je vandaan komt wordt aangegeven met een bolletje. De weg die je in moet slaan is voorzien van een pijlpunt. Bij de kruispunten-pijltjesroute hoeft het niet zo te zijn dat de weg waar je vandaan komt van onder naar boven loopt!

De volgorde waarin je de kruispunten tegenkomt wordt weer met nummers aangegeven.

Kruispunten-pijltjesroute

Stripkaartroute

Een stripkaart (niet strippenkaart!) is een lange rechte lijn met dwarsstreepjes. De lange rechte lijn stelt de route voor die je moet lopen. De echte route is als het ware opgepakt en net als een touwtje rechtgetrokken. De dwarsstreepjes stellen wegen voor die je moet laten liggen.

Ieder streepje naar links betekent dat je een weg links moet laten liggen. Op dezelfde manier betekent ieder streepje naar rechts dat je een weg rechts moet laten liggen.

Zit er aan een bepaald punt van de stripkaart alleen één dwarsstreepje naar links vast, dan moet je de meest linkse weg laten liggen. Als er een afslag naar links is is dit de meest linkse weg. Deze laat je dus liggen en je loopt rechtdoor (situatie A op de tekening). Bij een T-splitsing laat je de weg naar links liggen en ga je rechtsaf (situatie B). Als er een afslag naar rechts is, is rechtdoor de meest linkse weg. Dit betekent dat je de weg rechtdoor moet laten liggen en rechtsaf moet gaan (situatie C). Zit er aan een punt van de stripkaart alleen één dwarsstreepje naar rechts vast, dan moet je de meest rechtse weg laten liggen. Dit gaat natuurlijk op dezelfde manier als bij links.

Staat er zowel een dwarsstreepje naar links als naar rechts, dan zul je zowel de meest linkse als de meest rechtse weg moeten laten liggen. Bij een kruising ga je dan rechtdoor (situatie D). Twee dwarsstreepjes naar links op hetzelfde punt worden getekend in een V-vorm. Samen betekenen ze dat je de twee meest linkse wegen moet laten liggen. Bij een kruising is de meest linkse weg de weg naar links. Daarna de meest linkse weg is de weg rechtdoor. Je moet dus allebei deze wegen laten liggen. De weg naar rechts is dan de enige weg die overblijft (situatie E).

Stripkaartroute

Er kunnen nooit twee wegen overblijven! Als je op een kruising staat en de stripkaart heeft maar één dwarsstreepje dan houd je twee mogelijkheden over. Dit betekent dat je ergens fout gelopen bent! Het enige juiste wat je dan kunt doen is teruglopen naar het laatste punt waar je wist dat je goed zat.

Zandpaden die je moet laten liggen worden vaak gestippeld. Een golflijntje wil zeggen dat je water oversteekt, bijvoorbeeld een beekje. Dit wordt echter niet altijd getekend.

Je leest de hele stripkaart van onder naar boven. Het begin van de stripkaart is voorzien van een bolletje. Het einde wordt aangegeven door een dwarsstreep die groter is dan de dwarsstreepjes die gebruikt zijn om wegen aan te geven. Het is aan te raden alle dwarsstreepjes die je gehad hebt door te strepen. Op die manier raak je nooit in de war.

De stripkaart is op twee manieren "verraderlijk". In de eerste plaats betekent het feit dat de stripkaart recht is niet dat de route zelf ook recht zal zijn. In de tweede plaats zegt de afstand tussen de dwarsstreepjes niets over de werkelijke afstand tussen twee kruisingen. De afstand tussen alle dwarsstreepjes kan hetzelfde zijn, terwijl de eerste kruising al naar 5 minuten bereikt wordt en de tweede pas na een half uur.

Je moet trouwens niet schrikken als de stripkaart in een routeboekje helemaal niet recht is. Vaak wordt een stripkaart een beetje verbogen, bijvoorbeeld uit plaatsgebrek. Het is haast overbodig te zeggen dat ook de verbogen stripkaart niet de vorm van de echte route hoeft te hebben.

Aanzichts-stripkaartroute

De aanzichts-stripkaartroute is een uitgebreide versie van de gewone stripkaartroute. De wegen worden hierbij niet als strepen, maar net als bij de kruispuntenroute als echte wegen getekend. Verder wordt er met kaarttekens aangegeven wat er langs de route te zien is. Je leest een aanzichts-stripkaart van onder naar boven. Het bolletje aan het begin en de streep aan het einde ontbreken.

Aanzichts-stripkaartroute

Zestien windrichtingen

Als je iemand duidelijk wilt maken in welke richting een bepaald dorp ligt kun je natuurlijk gaan wijzen. Dit kan echter alleen als je zelf in de buurt bent. Bij een routebeschrijving op papier zul je een andere manier moeten gebruiken om de richting aan te geven. Wat je dan kunt doen is te vertellen in welke windrichting (of windstreek) het dorp ligt.

De twee belangrijkste windrichtingen zijn noord (N) en zuid (Z). Zoals je waarschijnlijk wel zult weten is de aarde een bol die ronddraait. Je kunt je een denkbeeldige as voorstellen waar de aarde omheen draait. Deze as "prikt" op twee plaatsen door de aarde heen : de noordpool en de zuidpool. De richting waarin de noordpool ligt noemen we "noord" en de richting waarin de zuidpool ligt noemen we "zuid". Als er nu in een routebeschrijving staat dat je "naar het noorden" moet lopen, dan bedoelen we daarmee dat je in de richting van de noordpool moet lopen. Verderop, bij het bespreken van het kompas, zullen we zien hoe je precies kunt weten in welke richting de noordpool ligt.

Tussen noord en zuid in liggen oost (O) en west (W). In tekening A hieronder zijn noord, zuid, oost en west aangegeven. Een dergelijke cirkel met windrichtingen noemen we een windroos.

De vier belangerijkste windrichtingen A

Vaak heb je aan vier windstreken veel te weinig. Je kunt het aantal windrichtingen uitbreiden door steeds twee windrichtingen te combineren. Zo noemen we de windrichting die precies tussen noord en oost in ligt noord-oost (NO). Bij de naamgeving van deze tussenwindstreken geldt de volgende regel : je noemt eerst de naam van de windstreek die het belangrijkst is. Noord en zuid zijn zoals gezegd belangrijker dan oost en west, dus deze komen eerst. In totaal hebben we nu de acht windstreken uit tekening B hieronder.

De acht belangerijkste windrichtingen B

In tekening C is het aantal windstreken nog eens een keer uitgebreid tot zestien. Bij deze windstreken geldt weer dat je eerst de naam van de belangrijkste windstreek noemt. Noord en zuid zijn belangrijker dan oost en west, maar oost en west zijn weer belangrijker dan bijvoorbeeld noord-oost of zuid-west. De windstreek tussen oost en noordoost in heet dus oost-noord-oost (ONO) en niet "noord-oost-oost" of iets dergelijks.

Alle zestien windrichtingen C

Het is de bedoeling dat je voor je Groene Kaart alle 16 windrichtingen uit tekening C kent.

Kennismaking met het kompas

Als er nu in de routebeschrijving staat dat we naar het zuid-westen moeten dan weten we nog steeds niet waar we heen moeten. We hebben een instrument nodig dat ons vertelt waar bijvoorbeeld het noorden ligt. Al eeuwen lang wordt hiervoor een kompas gebruikt. In feite is dit niets anders dan een doosje met daarin een draaibare naald, die altijd naar het noorden wijst.

De kompassen die wij gebruiken zijn zogenaamde Recta-kompassen. Hieronder is een tekening van een Recta-kompas te zien met daarbij de namen van de diverse onderdelen. Voorlopig hoef je alleen te onthouden dat de rode kant van de kompasnaald altijd naar het noorden wijst en de witte kant altijd naar het zuiden.

Recta-kompas

Dat de naald van een kompas altijd naar het noorden wijst komt doordat de aarde magnetisch is. Het is net alsof er binnen in de aarde een grote staafmagneet zit. De uiteinden van deze magneet zitten bij de noordpool en de zuidpool. De kompasnaald is zelf ook magnetisch. De uiteinden van twee magneten trekken elkaar aan, zodat één kant van de kompasnaald altijd naar de noordpool wijst.

Eigenlijk is dat "altijd" niet helemaal waar. Als er een heleboel ijzer of een andere magneet in de buurt is dan kan het gebeuren dat de kompasnaald daar naar toe gaat wijzen en niet meer naar het noorden. Gebruik een kompas daarom nooit te dicht bij een auto, een hoogspanningsmast, een ijzeren brug of iets dergelijks.